Ik klamp me vast aan de reling. Het witgeverfde ijzer voelt koud aan onder mijn handen. De wind rukt aan mijn kleren, beukt in op de dikke muren van het observatorium achter me. De dakgoot van het lage bijgebouw kraakt vervaarlijk. Naast me staat mijn vader. Zwijgend kijken we uit over de wereld die zich aan onze voeten uitstrekt. Donkere, gekartelde bergkammen wisselen elkaar af, volgen elkaar op, tot zo ver het oog reikt. Wolken stijgen als rookkolommen van de rotswanden op, gooien hun schaduwen op de lagergelegen hellingen, in een onophoudelijk spel van licht en donker. Wegen lopen kriskras door elkaar heen, als aders door het landschap. Een meer licht blauw op in het kale groen.

Het is 17 juli 2007. Ik ben 23 jaar. Ik ben nog nooit zo bang geweest.

Enkele minuten eerder zijn mijn vader en ik uit de donkere buik van het observatorium gekomen. De tentoonstelling over het heelal die er te zien was, heeft iets in me veranderd, gebroken misschien zelfs. 4 à 5 miljard jaar, las ik op een bordje. Zo lang heeft de zon nog te gaan voor ze uiteindelijk uitdooft en implodeert. Uiteraard wist ik dat de zon, zoals elke ster, gedoemd is om te verdwijnen, maar het getal drukt me plots met de neus op de feiten. Ooit doof ook ik uit, net als de zon, net als alle mensen om wie ik geef. Ik ben gedoemd om hen te verliezen, gedoemd om uiteindelijk mezelf te verliezen.

Het is alsof ik kantel en op het punt sta te vallen. Alsof ik plots inzicht krijg in de duizelingwekkende diepte van de tijd. Ik zie alles voor me, de uitdijende sterrenstelsels, de lichtjaren, de generaties die opkwamen en verdwenen, het begin en einde van alles. Ik voel me nietig, niet eens een stipje in dit onmetelijke universum.

Elf jaar later zit ik in de auto, op weg naar huis. De wolken hangen grijs boven het vlakke land. Op de radio hoor ik een gesprek over de geboorte van het heelal. Hetzelfde gevoel als toen, boven op de Pic du Midi, overvalt me. Dezelfde duizeling, dezelfde angst, alsof ik net in een afgrond heb gekeken waar ik beter van weggebleven was. Mijn hoofd tolt, als een universum vol met vragen. Is er iets na de dood? En indien niet, wat is dan de zin van ons bestaan? Worden we geboren om te scheppen, om iets achter te laten van blijvende waarde? Een kind, een literair meesterwerk, een oplossing voor de klimaatsverandering? Hoe ontstaat ooit iets? Hoe ontstaat inspiratie? Hoe ontstaat liefde? In een flits, of zijn ze er altijd al geweest?

Elf jaar eerder kijkt mijn vader me aan. Hij ziet het aan me, zoals hij het altijd ziet als ik met iets zit. Nog voor ik iets kan zeggen, pikt hij in op de vraag die al minuten door mijn hoofd cirkelt. Alsof hij mijn gedachten raadt. ‘Misschien is het zoals een bepaalde indianenstam gelooft. Dat je bij je dood een deel wordt van de wind, dat je erop meedrijft. Je wordt een deel van het grotere geheel. Is dat geen mooie gedachte?’

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here