‘Belooft ge mij dat alles goed komt?’ Een zondagavond in april. In de tv-serie die ik bekijk, liggen een jonge man en een jonge vrouw op bed. Duisternis omhult hen. Het meisje kijkt haar vriend vertwijfeld aan. De vraag blijft als een echo tussen hen in hangen. Haar vriend zwijgt.

Onwillekeurig denk ik terug aan een autorit, jaren eerder. Het was halfzeven ‘s ochtends, de duisternis lag nog als een deken over het land. Op de Brusselse Ring stond alles vast. Naast me zat een jonge vrouw. Ze maakte zich op, bij het licht van het plafondlampje, haar blik gefocust op het spiegeltje in de zonneklep.
‘Gaan we er wel op tijd geraken?’, vroeg ze, terwijl ze mascara op haar wimpers aanbracht.
‘Komt wel goed. Alles komt goed’, zei ik, zonder nadenken. ‘Maak je geen zorgen.’
‘Zeg dat niet. Niet alles komt goed.’

We waren op weg naar de luchthaven, waar ze het vliegtuig naar India zou nemen. Tien dagen zou ze er voor haar werk verblijven. Tien dagen, als vrouw alleen in een onbekend en dreigend land. In de rij voor de paspoortcontrole draaide ze zich om naar me. Ze zuchtte. Ik las de onrust in haar ogen. Ik wilde haar in mijn armen nemen en haar vertwijfeling wegkussen, maar ik kon het niet. Ook in mijn borst klopte de onrust als een bezetene. Toen ik haar losliet, gaf ik haar een brief, pas te openen als ze in haar hotel gearriveerd was. ‘Ik zie je graag’, zei ze, voor het eerst. Ze fluisterde het haast.

Die avond brak ik. Ik huilde de lucht uit mijn longen, balde mijn vuisten, uit onmacht, bang als ik was voor haar veiligheid, bang om haar te verliezen. Ik beloofde mezelf dat ik het haar nooit zou zeggen.

Ze kreeg gelijk. Niet alles komt altijd goed. Een tijd later stonden we in het treinstation waar het allemaal begonnen was. Het leek alsof de tijd stopte. Alsof om ons heen de wereld bleef draaien – reizigers liepen af en aan, een mechanische stem kraakte door de boxen – maar voor ons de tijd in stukken brak. Ik keek haar aan, het meisje met de donkere krullen, het meisje dat de weemoed in haar ogen droeg. Het meisje dat ik bemind had, meer dan wie ook. Er lagen tranen in haar ogen. Tranen om wat geweest was en niet meer terugkwam. Ik nam haar in mijn armen, voelde haar een laatste keer dicht tegen me aan. Ik snoof de geur van haar haren op, de geur van iets wilds en zoets, iets ontembaars. Ik wilde ze in me opnemen, ze vasthouden en met me meedragen, waar ik ook ging. Maar ik wist dat het hopeloos was. De geur zou vervagen, oplossen in het verleden, tot niet eens meer een herinnering.

Zo gaat het altijd met gemis. Je klampt je vast aan een geur, een gebaar, een stembuiging, als aan een strohalm van de illusie. Maar gaandeweg neemt het leven het weer over. De pijn verdwijnt en de gedachte aan een geur, een gebaar, een stem verglijdt, als een pluizenbol meegevoerd door de wind. Je kijkt op, ziet de zon opnieuw, laat los.

Op tv draait de jonge vrouw zich om, staart even naar het plafond, vlijt zich vervolgens met haar rug tegen haar vriend aan. Ik heb mijn les geleerd nu. Ik zeg niet langer dat alles goed komt. Maar dat hoeft ook niet. Zelfs het licht bestaat niet zonder de duisternis.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here