Het computerscherm licht als een baken op in de duisternis. Blauwig, alsof het een spiegel is voor mijn gemoed. Ik geeuw, rek me uit als een stramme oude kat, vouw mijn handen achter het hoofd.  Al een kwartier zit ik naar de knipperende cursor op het computerscherm te staren. Die eerste zin, weet je wel. Die verdomde eerste zin. Het is het eeuwige lot van de schrijver, de columnist, de journalist. Altijd weer op zoek te willen gaan naar de perfecte eerste zin, die alles op gang brengt en het hele stuk zich schijnbaar moeiteloos, in één lange adem, laat ontrollen. Maar op sommige dagen loopt het niet zo. Dan voelt het alsof je met een handboor door gewapend beton probeert te geraken. Ook schrijven is nu eenmaal hard werk.

Misschien zit mijn hoofd te vol, het resultaat van een dag druk plannen, telefoons, berichten, mails, nieuwe taken, nieuwe zorgen. Wat afstand zou me goed doen. Ik geeuw, rek me nog eens uit en voor ik het weet, neem ik mijn sleutel, trek de deur achter me dicht en loop de trap af.

Buiten is er niemand te zien. De straten zijn nog klam. Stilte na de storm. In de verte, hoog boven de horizon, zijn de laatste stuiptrekkingen van het onweer zichtbaar, geruisloze flitsen tegen het wolkendek. Ik snuif de geur van het natte asfalt op, die zich vermengt met die van beukenbladeren en bessenstruiken. De nacht maakt nu eenmaal alles intenser. Geluiden, geuren, emoties. Alles wordt sterker, niet langer bezoedeld door daglicht, maar herleid tot zijn naakte vorm, de naakte waarheid, zoals een enkel verlicht raam in een voor de rest duister, ommuurd landhuis op de straathoek.

Bij de poort blijf ik even staan. De wind ruist in de sequoia achter de muur. Ergens roept een uil. Het landhuis boeit me al jaren. Ik vraag me af hoe lang het er al staat, wie zijn bewoners zijn, welke verhalen het in zich draagt.

Net daarom is de nacht zo’n geliefde plek voor schrijvers. Ze vinden er inspiratie, vinden er zichzelf in terug, de diepte van hun persoonlijkheid, hun zoeken, hun streven. Zoals andere nachtuilen denken ze te veel, voelen ze te veel.

Een auto stopt, midden op de weg. Een oranje zwaailicht draait geruisloos rondjes op het dak. Een man stapt uit. Hij opent een reclamepaneel, trekt de poster los, plaatst een nieuwe. Alles in minder dan een halve minuut. Terwijl hij instapt en verder rijdt, vraag ik me af waar hij na het werk heen gaat, en of er iemand op hem wacht.

Wat verderop zoemt en sputtert de neonreclame aan de gevel van een pitazaak. De uitbater, in witte schort, staat peinzend de toog te poetsen. Hij heeft zijn ogen neergeslagen, zijn gezicht staat ernstig. Nu de laatste klanten weg zijn, is ook zijn eeuwige glimlach verdwenen.

Ik loop verder, kijk op naar de volle maan hoog boven de stille rij huizen. De gedachte aan een oude schrijver welt in me op. ‘It is awfully easy to be hard-boiled about everything in the daytime, but at night it is another thing.’ Overdag kunnen we het volhouden, onszelf verbergen achter onze dagelijkse drukte, maar ‘s nachts vallen de maskers af. Dan zijn we alleen met onze gedachten. Zelfs de maan toont dan zijn meest melancholische gezicht.

Toch ligt er ook iets troostends in de nacht, iets beschermends zelfs. Ze brengt rust en ruimte, de mogelijkheid om onszelf beter te begrijpen. De nacht mag nog zo donker zijn, er zijn altijd nog de maan en de sterren die over ons waken. Daar, hoog boven de duistere wolken, is er altijd licht.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here