De Japanse kerselaar staat er nog. Onwillekeurig doet de stam me, zelfs na al die jaren, denken aan een gerimpelde olifantenpoot. Ook de oude appelboom, achterin bij de schutting, staat nog steeds rechtop. Een lichte bries glijdt door het bladerdek, een merel zet zich schrap op de bovenste tak.

Een bezoek aan de tuin van je ouderlijke huis is altijd een terugkeer naar je diepste herinneringen. Het gazon waarop ik ‘s zomers uren de doelpunten van Luc Nilis imiteerde, heeft deels plaats geruimd voor een terras. Het jasmijnboompje dat als doelpaal diende, is lang omgehakt. De ligzetel waarop mijn oudere zus lag te zonnen, midden in míjn voetbalveld nota bene, staat ergens in de hoek van de veranda te verkommeren. Zelfs de dubbele wasdraad, ideaal als nok voor onze tent uit dekens, is weggehaald. Ook een tuin groeit mee met zijn bewoners. Ook een tuin wordt ooit volwassen.

Ik prop de handen in mijn broekzakken. De bries doet de lavendelstruikjes wiegen, voert de diepzoete geur ervan aan. Ik kijk op, naar de opbollende wolken, die ik op een dag als deze vreemd genoeg nog steeds met melk associeer. Gierzwaluwen zwenken door het luchtruim. Ik laat mijn gedachten meanderen.

Ik mis ze wel, die schier eindeloze dagen, de mogelijkheden die zich gedurende twee volle maanden voor je uitstrekten. Het ene moment kon je topvoetballer zijn, daarna de Ronde van Frankrijk winnen, je zus verslaan met badminton, een kamp bouwen, heroïsche gevechten leveren met ridders of indianen of je laten meevoeren door een boek. Alles was nieuw, alles was spannend. Het leven was van een ongekende, ongerepte schoonheid.

Maar hoe heerlijk ook, die dagen in de tuin waren maar een prelude voor het echte werk: de jaarlijkse reis die we met het gezin ondernamen. Veelal gingen we naar Frankrijk, de auto volgeladen, de frigobox tussen mijn zussen en mij geklemd op de achterbank. En hoewel Spanje intussen mijn hart heeft veroverd, blijven de plekken uit mijn jeugd klinken als een klok. Le Bourg d’Oisans, l’Alpe d’Huez, Saint Gervais de Mont Blanc, Mâcon, Le Puy de Dôme, le Grand Saint-Bernard… We reden onze eigen Ronde van Frankrijk, over de jaren heen. Onderweg vertelde mijn oudste zus verhaaltjes, of verzon ik er zelf. We reden door bossen, over bergpassen, langs meren en rivieren, over steeds nieuwe, vaak bochtige wegen, met achter elke bocht een nieuw avontuur.

De bochten zijn gebleven in het leven. Maar de kinderlijke verwondering, de diepte van de emotie, de zin voor avontuur: die is vaak wat weg. We raken gewend aan het leven, raken erdoor verzadigd. Het pad is geëffend, zo denken we, de bestemming gekend. We worden ernstig, voorzichtig, welopgevoede burgers. We worden onze eigen vaders. Maar soms zien we ook in hun ogen plots die sprankel van weleer, een jongensachtig, schalks glimlachje erbovenop.

Daarom stel ik voor dat we deze zomer het kind in ons weer vrijlaten. Dat we het leven met volle teugen drinken en volop het avontuur opzoeken. Het wordt vast de mooiste zomer ooit.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here