We kijken elkaar niet aan. We staren naar het tv-scherm. Niemand van ons zegt iets, verdwaasd en verslagen als we zijn. We hebben de handen achter het hoofd gevouwen, of zitten voorovergebogen, nog half nagelbijtend, op het puntje van onze stoel.

Het voelt onwezenlijk. De Fransen juichen, rennen over het veld, slaan elkaar op de borst. België wordt geen wereldkampioen, dit jaar althans niet. De droom is uiteengespat, de roes abrupt uitgewerkt. Buiten valt nog steeds regen, voor het eerst in bijna twee maanden. Alsof ook de hemel mee huilt.

Het besef is hard: we hebben een unieke kans laten liggen, een kans die we in een land als het onze misschien maar één keer in een mensenleven krijgen. Maar meer nog dan treurnis om de gemiste kans overvalt me, hier voor de tv, een vrees voor de toekomst. Een zwart gat gaapt, waarin we vervallen in oude gewoonten, in het cynisme en gezeur van elke dag. Ik zie het al voor me, hoe de Belgische driekleur de volgende dag weer uit het straatbeeld verdwijnt en we ons schouderophalend weer focussen op de arbeid, op kind en gezin, en we ons troosten met onze typische – vooral Vlaamse – underdogmentaliteit: “We zijn toch ver geraakt” of erger nog, “Zie je wel dat we het niet kunnen? We zijn gewoon niet goed genoeg.”

De Rode Duivels lieten ons dromen, geloven dat we in staat waren tot meer dan uitzonderlijke prestaties. ‘Tous ensemble’ was plots geen valse kreet meer. We leefden mee, vergaten onze eigen kleine zorgen, kwamen samen op pleinen, terrassen van cafés, in huiskamers, om aan te moedigen, mee te brullen, te juichen en te springen bij elk godheerlijk doelpunt. Hún lot was ons lot. Er was geen onderscheid meer, we waren heel even allemaal gewoon Belg.

Tot de Fransen kwamen en nog cynischer bleken dan de gemiddelde Vlaams Belanger in een bus vol Waalse moslims. Plots werden we met de neus op de feiten gedrukt. In de wereld van vandaag moet het ongedwongen spel van jongetjes het vaak afleggen tegen gewiekste zakelijkheid.

Vier dagen na de nederlaag bewijzen de jongetjes toch enigszins het tegendeel. De hemel is weer opengeklaard. De zon staat hoog in het zenit. Eden Hazard trapt België naar brons. Het geloof is teruggekeerd, de winnaarsmentaliteit is nog niet weggeëbd. “Binnen twee jaar worden we Europees kampioen”, klinkt het.

Laat het een bron van inspiratie zijn voor ons allemaal, voor huidige én komende generaties. Dat we zelfbewust, vol zelfvertrouwen, het gevoel van grootsheid vasthouden en toepassen in ons eigen leven. Dat we niet langer genoegen nemen met “gewoon goed”, maar dat we streven naar meesterschap, het hoogst haalbare. Dat we ook onze kinderen leren hun talenten te ontwikkelen en hen zelfvertrouwen en werklust bijbrengen, of we nu ouder, grootouder, kleuterleider, leraar, trainer of gewoon tante of oom zijn.

“How important it is in life not necessarily to be strong, but to feel strong”, schreef Primo Levi, een overlevende van Auschwitz, ooit. Hij had overschot van gelijk. Geloof in eigen kunnen is de basis van alles. Grootse verwezenlijkingen beginnen bij grootse dromen.

Wij zijn geen underdogs meer. Wij zijn Belgen. Zelfs Caesar wist het al: de Belgen zijn de dapperste onder de Galliërs.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here